De grootheid van een ideaal ligt niet in het bereiken ervan maar in het streven ernaar.

Archief

Nieuw in archief | Artikel overzicht
A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |

09-02-2012 

Teugellengte?

25 januari 2012

In de Klassieke Rijkunst is het een groot goed met zo min mogelijk hulpen het paard in balans te kunnen houden en schijnbaar moeiteloos te kunnen sturen in elke richting en in elke gang of verzamelingsgraad.
Het paard wordt hierbij vnl. op de zit gereden en reageert op de kleinste subtiele hulp van zit, been en/of teugel/hand.
Dit harmonieuze beeld kan echter alleen bereikt worden door een jarenlange goed gedoseerde training, die specifiek is afgestemd op elk unieke paard.
Afhankelijk van het niveau van africhting en de fysieke en mentale capaciteiten van het paard, moet de ruiter zijn hulpen aanpassen.

In de Klassieke Rijkunst zien we het als een ideaal met lange doorhangende teugels te rijden. Een goed beeld om als einddoel voor ogen te houden.


Een jong, onbeleerd of verreden paard heeft echter in het begin van zijn opleiding zeker nog de nodige ondersteuning nodig van de hulpen van de ruiter om zijn balans te vinden en te behouden.
De ruiter moet in staat zijn snel en zo klein mogelijk en met de juiste dosering in te werken op het paard, zodat hij zo min mogelijk gestoord wordt in zijn vaak nog onevenwichtige bewegingen.

Grote bewegingen van de ruiter (met zit, been of teugel) verstoren het wankele evenwicht van het nog jonge, onbeleerde paard vaak nog meer.

Als we in dit licht kijken naar de teugelvoering, dan kunnen we stellen dat een lange doorhangende teugel in het begin van de opleiding zeker niet altijd ideaal is. Het paard is nog niet in staat om correct op kleine teugelhulpjes te reageren en heeft vaak meerdere hulpen in een klein tijdsbestek nodig om in balans te blijven en zijn zelfhouding te kunnen volhouden.
Een wat kortere teugel, die een directere verbinding met de neus of mond van het paard kan garanderen, kan in dit stadium van de opleiding functioneler zijn.

De ruiter kan op deze manier snel en adequaat inwerken en met kleine hand/armbewegingen het paard functioneel ondersteunen.
Met een lange teugel moet de beweging van de ruiterhand veel groter zijn, wil men het gewenste effect kunnen bereiken.

Daarbij wil ik uitdrukkelijk stellen, dat de directere teugelvoering/verbinding dmv. een kortere teugel niet wil zeggen dat men druk in de hand heeft of druk in de mond van het paard legt.
De druk in de hand is nooit meer dan het gewicht van de teugel.

Noch mag het paard nimmer door de teugel kort gemaakt worden in de hals. Door de grote gevoeligheid van de mond van het paard, gebeurt dit veel sneller dan men doorgaans beseft.

Door rustig met de hoofd/halsbeweging mee te bewegen en alle aanwijzingen in een voorwaartse richting (richting de neus van het paard) te geven, wordt het paard op generlei wijze gehinderd in zijn bewegingen. Dit vraagt een onafhankelijke hand, die verend vanuit de schouder, elleboog, pols en vingers richting de mond van het paard bewegen.

Stukje historie: Pilarenarbeid

De opleiding van het paard gebeurde vroeger voor een groot gedeelte tussen de pilaren. Gestart werd met de enkele pilaar.
Helaas zijn wij niet meer bekend met deze methode van training. Maar we kunnen er wel van leren.

Het grote voordeel van de pilaar was dat het een hele eerlijke manier was om het paard te leren nageven. Trok het paard aan de lijn, dan ondervond hij weerstand van de pilaar, die echter nooit terugtrok! De timing van het nageven lag dus geheel in de handen van het paard. Een directere beloning voor goed gedrag is bijna niet denkbaar.
Juist de timing en dosering van de hulpen is voor de ruiter een van de moeilijkste dingen om correct aan te leren.

Naarmate de opleiding van het paard vordert en het paard meer soeplesse, balans, kracht en zelfhouding heeft ontwikkeld, kan men het paard steeds meer op eigen benen laten lopen en heeft hij minder ondersteuning nodig van de ruiterhulpen. Het paard krijgt steeds meer eigen verantwoordelijkheid voor zijn zelfhouding. 
We kunnen er steeds meer op vertrouwen dat het goed gaat zonder al te veel ondersteunende hulpen van de ruiter.

Zo nu en dan kan men testen hoe het staat met de balans en zelfhouding door de teugels wat langer te laten en de hulp hiermee te minimaliseren.
(Uiteraard geldt dit ook voor de overige hulpen van been en zit.)

Uiteindelijk zal het paard in staat zijn op de kleinste bewegingen/vibraties van de teugel adequaat te reageren.

Dubbele teugelvoering
Aangezien men in de Klassieke Rijkunst doorgaans start met de kaptoom en deze pas later combineert met een kandare, is dit de belangrijkste teugel voor de grootste aanwijzingen en correcties.

De kandareteugel (bedoeld voor eenhandig gebruik) wordt uitsluitend gebruikt voor de positionering van het zwaartepunt en niet voor het vragen van de stelling.

Daarnaast heeft de stang, door zijn vormgeving een veel snellere inwerking in de mond van het paard, wat een nog grotere gevoeligheid en zachtheid van de hand verlangt.

 

Reacties op dit artikel

Geplaatst door Marijke Houter
Mooi stuk zeg! Heel duidelijk uitgelegd!

Wilt u reageren op dit artikel?

Tonen bij bericht?
Na het versturen, wordt uw reactie gecontroleerd door onze redactie voordat het geplaatst wordt.