De grootheid van een ideaal ligt niet in het bereiken ervan maar in het streven ernaar.

Archief

Nieuw in archief | Artikel overzicht
A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |

26-04-2011 

De zes elementen van het rijden

 

 

 

 

 

 

Tijdens het rijden zijn er zes elementen die we continue onder controle moeten houden. Eerst moeten we leren elk element afzonderlijk te controleren, maar uiteindelijk moeten we deze zes elementen te samen leren controleren.

1. Balans
Met balans wordt bedoeld dat het paard het gewicht goed verdeeld over alle vier de benen. 

 

 

2. Soepelheid
Met soepelheid wordt bedoeld de souplesse in het paarden lichaam, zowel in zijn lijf als in zijn ledematen. Zodat hij makkelijk de gewenst vorm kan aannemen. 
   
3. Vorm
De vorm wordt bepaald door de lengtebuiging, het voorwaarts neerwaarts gaan en het ondertreden, de LVO. 
L: Hierbij moet het paard gelijkmatig gebogen zijn, dus niet teveel of te weinig.
V: het paard zijn neus moet zich ongeveer op boeghoogte bevinden. Op die manier zijn de oren op schofthoogte. Hierbij bevindt het hoofd van het paard zich aan de loodlijn. De voorwaarts neerwaartse tendens moet in balans zijn, anders belandt het paard op de voorhand
O: het paard moet zijn achterbeen onder het zwaartepunt plaatsen, niet ervoor, er voorbij, teveel links of rechts. 

4. Tempo 
Met tempo wordt bedoeld de snelheid waarmee het paard zich voorwaarts begeeft. Niet te snel (overhaast), maar ook niet te langzaam (traag). Ieder paard heeft zijn eigen grondtempo, waarin hij zich beweegt.

   5. Takt 
Met takt wordt bedoeld de regelmaat van de passen in elke gang. Deze bepaald de zuiverheid van de takt. Elke gang kent zijn eigen takt.

 6. Schwung
 
Het bewegen van het paard met een losgelaten, ontspannen rug, die mooi deint. De schwung   
wordt dus bepaald door de deining van de rug/ruggegraad. Alle bewegingen worden via de ruggegraad van achter naar voren getransporteerd. Hoe soepeler en losser deze beweegt, hoe meer schwung. 
Iedere gang kent zijn eigen schwung. Ook per paard kan de schwung enorm verschillen. 

Wanneer we starten met een paard is het belangrijk de eerste drie elementen goed voor elkaar te hebben, te weten de balans, de soepelheid en de vorm. Dat wil niet zeggen dat de andere drie niet meedoen, want een paard kan niet bewegen zonder tempo, takt of schwung, alleen leggen we daar nog niet de nadruk op.

Hoe verder we komen in de opleiding/ontwikkeling van de combinatie, hoe meer elementen we nader kunnen belichten. Zijn de eerste 3 elementen in orde dan kunnen we gaan letten op:  

  • het tempo in de bewegingen;
  • daarna is het belangrijk dat de takt in elke gang zuiver is of wordt;
  • en als laatste moet het paard alle bewegingen met schwung kunnen uitvoeren.

De mate van schwung is in elke gang en per paard verschillend, maar is wel altijd aanwezig. Dus ook in de stap, alhoewel die daar het moeilijkst te zien is.

Om al deze elementen tegelijkertijd onder controle te houden, maken we gebruik van de halve ophoudingen. Het doel van deze halve ophoudingen is:

  • het voorkomen van ongewenste veranderingen tijdens het rijden. (voorkomende halve ophouding);
  • dat we tijdens het rijden verloren gegane elementen kunnen herstellen (herstellende halve ophouding).

De timing, dosering en plaatsing van de halve ophoudingen zijn van grote invloed voor het gewenste resultaat. Wanneer dit niet in orde is, kan men ook niet het gewenste resultaat verwachten. Gelukkig kunnen we de halve ophouding opnieuw geven, zodat e.e.a. weer hersteld kan worden.

Wanneer we een van deze zes elementen tijdens het rijden verliezen, wat heel makkelijk en vaak gebeurd helaas, verliest het paard een stukje van zijn evenwicht.
Hierdoor raken de andere vijf elementen ook uit hun ritme en kunnen veranderen.
B.v. de vorm veranderd, het tempo veranderd, de takt veranderd, de schwung gaat verloren etc.

Taktfouten zijn vaak het gevolg van teveel ruiterhand, waardoor het paard niet meer over de rug kan bewegen.

Op deze foto zie je de draf. Maar als we letten op de beenzetting, dan zien we dat drie benen in de lucht zijn.

De beenzetting in een goede draf zou moeten zijn:

  • diagonale beenpaar links (rechtsachter - linksvoor);
  • zeefmoment;
  • diagonale beenpaar rechts (linksachter - rechtsvoor);
  • zweefmoment.

Een goede, ervaren ruiter en een goed opgeleid paard kunnen deze zes elementen gedurende het rijden goed in evenwicht houden, zonder dat men er één of meerdere verliest of niet meer kan herstelllen.  

Wilt u reageren op dit artikel?

Tonen bij bericht?
Na het versturen, wordt uw reactie gecontroleerd door onze redactie voordat het geplaatst wordt.