De grootheid van een ideaal ligt niet in het bereiken ervan maar in het streven ernaar.

Archief

Nieuw in archief | Artikel overzicht
A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |

30-08-2015 

Het ondertreden van het binnenachterbeen!

6 januari 2015


Om het paard in balans te laten lopen, willen we dat hij met zijn achterbeen (afhankelijk van  de oefening het binnen- of buitenachterbeen) naar het zwaartepunt leert stappen.
Hiervoor moet hij zich buigen in zijn horizontale lengteas, zodat zijn binnenheup naar voren komt en hij met zijn achterbeen naar het zwaartepunt kan stappen.


Wanneer het paard dit kan, kunnen we door middel van de buigingsoefeningen/zijgangen de achterbenen sterker en buigzamer gaan maken, zodat de achterhand steeds meer gewicht over kan gaan nemen van de voorhand. Met als doel het paard tenminste in een horizontaal evenwicht leren lopen en zo mogelijk een kunstmatig evenwicht kan ontwikkelen.


Dit klinkt heel logisch en makkelijk, maar......

Wat kan er allemaal gebeuren, voordat we deze ideale situatie hebben bereikt?

Stel het paard loopt op de volte.
De eerste vraag is of het paard zich wil stellen (stelling= het plaatsen van de schedel t.o.v. de ruggengraat in de eerste twee halswervels.)

Wanneer we stelling vragen, willen we graag dat dit zich verder als buiging door het lichaam van het paard voert, waardoor de binnenheup naar voren komt en het binnenachterbeen naar het zwaartepunt kan stappen. (In een later stadium van de opleiding, geschied dit proces van achteren naar voren i.p.v. voren naar achteren).

Hiervoor gebruiken we onze binnenzitbeenknobbel en ons binnenbeen, zodat de ribbenkast zich vermeerderd naar buiten welft en het paard zich om ons binnenbeen buigt.

Hoe kunnen we voelen/ervaren of ons plan ook succesvol is?

  • De binnenteugel moet nageeflijk worden (geen druk meer voelbaar)
  • Wanneer het binnenachterbeen naar voren gebracht wordt, moeten we zakken in onze binnenzitbeenknobbel (het paard moet je laten zitten aan de holle zijde)
  • Het paard zal "automatisch" in een voorwaarts neerwaarts tendens gaan lopen
  • Het tempo moet gelijk blijven.

Bij correcte buiging zal:                

  1. bespiering buitenzijde worden gerekt
  2. bespiering binnenzijde worden verkort
  3. de binnenheup naar voren worden gebracht
  4. het binnenachterbeen stapt richting het zwaartepunt
  5. de binnenteugel wordt nageeflijk
  6. de ribbenkast swingt vermeerderd naar buiten
  7. de paslengte en het ritme blijven gelijk
  8. het paard loopt rustig en ontspannen in een voorwaartse neerwaartse tendens

 

Het stuwende achterbeen bevindt zich in de meeste gevallen aan de holle zijde van het paard.

Dit achterbeen is meer geschikt om te stuwen, aangezien het van nature meer naast de massa geplaatst wordt. Wanneer men dit been onder de massa vraagt, zal het paard in veel gevallen een uitweg zoeken, omdat dit been nog niet geschikt is om gewicht te dragen.

Het meer dragende achterbeen bevindt zich meestal aan de bolle zijde van het paard, Dit been is van nature meer buigzaam, maar bevindt zich aan de slappe zijde van het paard, waar het paard meer moeite heeft met inbuigen.

Dit kan de oorzaak zijn dat het paard zich probeert te onttrekken aan het gevraagde. Wat niet gebaseerd is op onwil maar op onvermogen.

a. het ondertreden van het binnenachterbeen (meestal op de holle zijde)
b. of het buigen in zijn lengte-as (meestal op de bolle zijde)
c. of een combinatie van beiden                   

De vele "look-a- likes" , die het paard kan produceren zijn divers. De geoefende trainer zal dit echter direct zien of voelen en het paard kunnen helpen, toch te zoeken naar de juiste reactie/beweging.
Door een logisch opgebouwde training in een juist tempo zal het paard steeds makkelijker en langer aan het gevraagde tegemoet kunnen komen.

Wat kan er gebeuren als het paard (nog) niet aan het gevraagde (het ondertreden van het achterbeen) kan voldoen?

1. Het binnenachterbeen stapt naast het zwaartepunt (aan de binnenzijde)

De volte wordt groter, het paard duwt zich op zijn buitenschouder.

                                       

2. Het paard gaat met de achterbenen korte stappen maken en blijft dus achter het zwaartepunt aan stappen in plaats van onder de massa te stappen.

Het paard vindt het lastig het zwaartepunt te ondersteunen, en verkort zijn paslengte. Hierdoor stapt hij achter het zwaartepunt en duwt hij het als het ware voor zich uit richting de voorhand.
Het paard voelt zwaar in de hand (bij gelijkblijvend tempo).
     
                
3. Het bi. achterbeen kan te ver naar buiten stappen (voorbij het zwaartepunt)

Het paard stretched de bespiering aan de buitenzijde niet voldoende, zodat de binnenheup niet naar voren komt.  De binnenteugel wordt niet nageeflijk. Het paard kan hierbij op de binnenschouder komen.

4. Het paard kan de buiging wisselen (binnenheup beweegt zich naar achteren i.p.v. naar voren)

Het paard laat je niet zitten aan de holle (binnen)zijde, de binnenteugel blijft niet nageeflijk en je voelt dat de achterhand uitzwaait. Soms ontstaat er een soort S-vorm, waarbij het paard ook niet echt nageeflijk kan blijven.

         

 

5. Het paard brengt zijn hoofd/hals omhoog, zijn rug wordt hol en het bekken kantelt naar achteren.

Het paard komt tegen de hand, is niet meer voorwaarts neerwaarts, het bekken kantelt naar achteren, waardoor het achterbeen niet meer naar het zwaartepunt kan stappen. De doorhangende rug kan de schokken niet meer opvangen,  waardoor de beweging schokkerig of stotend aanvoelt.
                             

6. Het paard kan versnellen, waardoor het de draagfase van het achterbeen kort houdt

Het tempo gaat omhoog


Wat kan je doen om dit te verbeteren?

1.Wanneer het paard het bi.achterbeen meer aan de binnenzijde plaatst, zal hij zijn zwaartepunt naar buiten duwen en derhalve meer op de buitenschouder komen, waardoor de volte groter wordt.
Om dit te voorkomen moet men het bi.achterbeen beter onder de massa drijven (dus wat meer naar buiten laten stappen), terwijl men de buitenschouders iets naar binnen gericht houdt.

Een veelvoorkomend verschijnsel hierbij is dat de schouders wel naar binnen willen, maar het binnenachterbeen niet meer naar buiten wil stappen, waardoor de cirkel kleiner wordt, maar het ondertreden niet verbeterd.

Het is hierbij dus erg belangrijk, dat men goed kan voelen of het achterbeen daadwerkelijk ondertreedt. Wanneer dit gebeurt, zal de cirkel ook niet meer groter of kleiner worden.

2. Geef het paard meer halslengte en stimuleer hem grotere stappen te maken. Door zijn "kader" langer te houden, is de belasting voor het ondertredende achterbeen minder.

Met andere woorden "haal de achterbenen op". Door middel van halve ophoudingen en tegelijkertijd te drijven met het been, zal het paard niet sneller gaan, maar ruimer stappen.

Naarmate de achterbenen sterker worden en meer last kunnen dragen, zal het paard makkelijker onder willen treden en wordt zijn kader weer korter.

3. Dit kan verholpen worden door je buitenbeen begrenzend te laten werken. Dit betekent niet dat je voortdurend met je buitenbeen moet drijven of blijven duwen. Het buitenbeen werkt als een "hek". Loopt hij ertegenaan, dan zal hij merken dat hij niet verder kan en zal zijn binnenachterbeen weer meer richting het zwaartepunt moeten plaatsen.

Uiteraard kan het paard dan kiezen voor optie 3 en het been te ver naar binnen plaatsen.

4. Het paard kan ervoor kiezen om het zichzelf makkelijker te maken door de buiging te wisselen. Dit gebeurt eerder op de bolle zijde, zodat hij de bespiering aan de korte zijde niet hoeft te rekken. Door het paard telkens korte stukjes te vragen wat meer te strekken, zal de buiging vanzelf makkelijker worden.

5. Laat het paard zich goed stretchen aan beide zijden door hem te laten buigen. Geef hem voldoende teugelvrijheid, zodat hij kan voldoen aan je vraag. Vanuit je binnenbeen en binnenzitbeenknobbel onderhoud je de buiging en via de binnenteugel vraag je voldoende stelling, zonder voortdurend te blijven trekken. Geeft het paard na, dan direct ook nageven!

6. Door het paard door middel van halve ophoudingen telkens even "op te vangen" , worden zijn voorbenen als het ware een beetje afgeremd op het moment dat de achterbenen naar voren treden. Het voorbeeld van de ruiter is hierbij ook erg belangrijk. Probeer zelf heel rustig en kalm te blijven, te denken aan grote rustig passen en niet mee te gaan in de gehaaste tred van het paard. Denk aan je ademhaling en ontspanning.
Door zelf "goed", rustig en regelmatig te bewegen, kan je het paard meenemen in jouw beweging in plaats van andersom.

Bovengenoemde situaties zijn voorbeelden en kunnen in alle gradaties voorkomen.

Bij alle genoemde situaties, ontstaat er een balansverstoring. De mate waarin is afhankelijk van de mogelijkheden van het paard, de vaardigheden van de ruiter, de snelheid van de gang etc.

De opleiding van het paard is erop gericht, het paard in balans te brengen en te houden. Naarmate de achterbenen draagkrachtiger worden en de voorhand lichter, zal het paard zich vanzelf verzamelen.

De basis van de rijkunst valt en staat met de lengtebuiging en het ondertreden van de achterbenen. In alle oefeningen blijft dit principe hetzelfde!

 

                                                                                                                                  

Wilt u reageren op dit artikel?

Tonen bij bericht?
Na het versturen, wordt uw reactie gecontroleerd door onze redactie voordat het geplaatst wordt.