Archief

Nieuw in archief | Artikel overzicht
A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |

06-09-2015 

De stap!

11 augustus 2013

Iedere gang en ieder paard heeft zijn eigen innerlijke muziek!

 
De stap is eigenlijk de moeilijkste gang en de verradelijkste! De stap laat het meest duidelijk zien wat het probleem is bij een paard.


De stap controleert, de draf gymnastiseert en de galop activeert.

Even wat begrippen!

Tempo
Het tempo is de mate van voorwaarts gaan, de snelheid.

Elk paard heeft in elke gang een eigen grondtempo. Dat ligt voor ieder paard weer anders en het is aan de ruiter om dat tempo te bepalen waarin het paard de beste kwaliteit van de gang laat zien.

Tempowisseling
Met tempowisseling wordt bedoeld een wisseling van tempo binnen dezelfde gang.

Bij verzameling verkort het paard zijn passen, maar hij gaat niet langzamer lopen.

Bij verruiming gaat het paard zijn passen verruimen, maar hij gaat niet sneller lopen. De regelmaat van de passen moet dus hetzelfde blijven, alsof er een metronoom aan staat.

Overgang
Een tempowisseling vindt plaats binnen een gang, dus van verzamelde draf naar arbeidsdraf. Een overgang vindt plaats van de ene naar de andere gang, dus van stap naar draf of van galop naar draf enz.

Takt
De stap is een 4-takt, de draf een 2-takt en de galop een 3-takt.

Taktverstoring, zoals telgang, overkruist galopperen, onregelmatigheid, teugelkreupelheid treden op als het paard niet is recht gericht en niet in balans loopt.

De takt kan ook als ritme worden gezien: De verzamelde gangen worden met een hoge takt of hoog ritme gereden en de verruimende gangen met een lage takt of laag ritme.

 

 

 

 

 

 

 

  

Tips voor de ontwikkeling van een goede stap op korte en lange termijn, voor ruiter en paard!

Elk paard heeft zijn eigen bewegingsritme in iedere gang. Zijn eigen stap-, draf - en galopritme; zijn eigen innerlijke muziek.

Ken het stapritme van je paard. Je kunt dit ontdekken door in een ontspannen stap aan de lange teugel met je paard voorwaarts te stappen.


Bij het verlengen van de passen, blijft de hoofd/halshouding gelijk, met de nek als hoogste punt, maar verlengt het paard zijn bovenlijn. Zijn kader of frame wordt langer. Hij rekt zijn bovenlijn bespiering.

Volg de verlengde passen met je zit en drijf met mate, omdat dit het paard uit zijn ritme kan halen.

Voel of de stap gelijjkmatig is, zijn snelheid, bewegingsritme en houding constant zijn. Analyseer niet te veel en produceer niet, maar voel!

Zorg, voordat je begint met de oefeningen, dat het paard ontspannen stapt met een goede voorwaarts neerwaartse houding, waarbij de neus voor de loodlijn is en met voldoende impuls of energie.

Het paard moet niet ingehouden worden,  de energie, opgewekt door de hulpen, moet vrij kunnen stromen door zijn lichaam.

Voorkom een te hoge nekhouding/positie in de stap, omdat dit het paard makkelijk verstijft en hij zijn rug  hol zal maken. Dus beter iets te laag dan te hoog.

Zorg dat het paard licht in de hand is, maar gooi hem niet los.

Zwem of Verdrink!
Net als een kind dat je niet in het water gooit als het moet leren zwemmen, maar dat je stap voor stap leert zwemmen, geldt voor het paard hetzelfde. Leer hem wat hij moet doen en vooral hoe hij dit kan doen. Geef hem hiervoor de tijd.


In de stap zijn er twee valkuilen: het paard gaat te langzaam (sloom, niet te verwarren met rustig en kalm) of heeft teveel stress (spanning) (alles loslaten of teveel controle). Stap in geen van beiden. Begeleidt het paard in rust en kalmte en help hem de juiste cadans en ritme te vinden en te behouden, door vanuit je innerlijke gevoel het paard het ritme te wijzen, als een interne metronoom. Geleidelijk aan leert hij zelfstandig en ontspannen op eigen benen te lopen.
 
Wil men rechtgericht langs een wand lopen, houdt dan de schouders iets van de wand af, omdat deze smaller zijn dan de achterhand.

Stap zo nu en dan op de binnenhoefslag of over de middenlijn om de kwaliteit van de stap en de rechtgerichtheid te checken. En zo "het aan de hulpen zijn" van uw paard. Dit is een samenspel van begrip, zelfbalans (van paard én ruiter) en gehoorzaamheid.

 

In de stap is er voldoende tijd om ook eens even aandacht te schenken aan uw eigen houding.

De kwaliteit van de stap verbetert met een goede (ontspannen) houding.

Losgelaten in de zit, ontspannen afhangende benen, gewicht goed verdeeld over beide zitbeenknobbels ,  in een links- of rechtszit, ontspannen in de spieren en gewrichten. Kijk met zachte ogen in de richting waarin u gaat. Voel de bewegingen van uw paard, doe zo min mogelijk, maar wat je doet op het juiste moment.

Knijp niet met de bovenbenen, ontspan de rugspieren,  en ondersteun je onderrug, door deze van een holle houding iets boller of rechter te maken. Dit betekent niet achterover leunen, maar door je buikspieren aan te spannen (zonder de bilspieren te spannen) kan je als het ware je navel naar je ruggegraad brengen. Hierdoor wordt de rug wat rechter.

Maak gebruik van de energetische en mentale hulpen en gebruik je (boven)lichaam om te controleren, alle overige hulpen zijn secundair.

Volg met je buik en bovenlichaam de stap van het paard. De rug vangt de beweging van het paard op, zonder dat men schuift in de zit. 

Je handen volgen vloeiend, regelmatig en gelijkmatig de beweging van het hoofd van het paard.

Oefen het  volgen van de ruiterhand door zachtjes met je vingers te spelen op de teugel. Ontspan uw vingers, waardoor het paard zijn hals zal laten zakken en vloeiender zal gaan bewegen.

Sommige paarden "knikkenbollen" meer dan de ander, volg deze beweging  vanuit je gewrichten van je handen, polsen en armen. (verend meebewegen)

Houd uw handen zacht, verend en soepel, vooral bij het verruimen en verzamelen, bij overgangen en het wisselen van buigingen.

Je hand mag nooit tegen de bewegingsrichting in gaan. Slechts kort sluiten op de plek of mee in voorwaartse richting. Dus de hand mag nooit achterwaarts inwerken, richting je buik, maar altijd vanuit  je navel naar voren.

Probeer bij wendingen, niet het paard af te laten slaan, maar kanaliseer de energie van het paard (bedenk dat het paard door een buis loopt, waar hij niet uit kan). Houd de beweging vloeiend. De energie moet door het paard vloeien/stromen en het paard moet door "de tunnel" vloeien.

Wanneer het paard zwaar wordt in de hand, animeer dan vanuit je zit en been  de achterhand. Maak een halve ophouding en drijf licht voorwaarts, zodat het achterbeen geanimeerd wordt verder naar voren te stappen.
Sta niet toe dat het paard zwaar in de hand wordt, maak een halve ophouding en drijf licht voorwaarts.

Iedere figuur, oefening of lijn die u rijdt, rijdt die met precisie. Heb een intern plan, beeld en gevoel van wat u wilt gaan doen.

Check de laterale hulpen door te oefenen met het openen en sluiten van de volte met binnenbeen en binnenteugel en buitenbeen en buitenteugel. 

                  

Check ook de versale en traversale hulpen door de oefeningen schouderbinnenwaarts en travers op de cirkel.

                


Let bij het veranderen van richting op de wisseling van de lengtebuiging. Laat het paard niet op (uitbreken achterhand) of over (binnenachterbeen eronder blijven drijven) de schouder vallen. 


Zorg voor elke overgang dat het paard geheel doorontspant (!) voordat men de overgang rijdt. Dus laat zijn hals wat zakken.

De overgangen moeten vloeiend zijn, dus let op dat je zelf niet verstijfd, maar meebeweegt in de buigingswissel.

Bereid het halt houden goed voor. Bedenk in hoeveel passen je halt wilt houden en tel mee.

Liever meer passen die leiden tot een vloeiend halthouden, dan een abrupt halthouden op de voorhand. Wordt het paard zwaar in de hand tijdens de voorbereiding, schakel dan weer iets voorwaarts en bereid het opnieuw voor.

Normaal gesproken starten we de trainingen in stap. Dit kan zijn met werk aan de hand, aan de longe of rijdend. Een uitzondering kan zijn nerveuze of zeer energieke paarden (Dit kan diverse achterliggende oorzaken hebben). Deze paarden kan je soms beter even rustig in draf werken (aan de longe of rijdend), voordat men met het stapwerk start.

Normaliter start elke trainingssessie met een goede kwaliteit stap. Uiteindelijk zijn het dezelfde botten en spieren die de drie gangen moeten produceren.

Zodra het paard geeft wat je vraagt (binnen zijn en uw mogelijkheden), ga dan verder, b.v. naar de drafarbeid of de volgende oefeningen. Verveel je paard niet, houd het interessant. Ontwikkel uw gevoel voor de goede momenten bij uw paard.

Ieder paard heeft zijn eigen trainingsschema. Hoelang men moet stappen, draven etc. is per paard verschillend. (afh. van leeftijd, aanleg, mentale omstandigheden etc.). Zoek altijd naar de hoogste kwaliteit in de oefening voor dit specifieke paard.

Als de stap ontspannen, los en regelmatig is, kan men overstappen naar de draf. Maar keer ook weer eens terug naar de stap om te controleren of de ontspanning gebleven is. Dit werk kan veel trainingstijd in beslag nemen.

Heeft u een flegmatieker paard, ga dan wat sneller naar de draf of misschien even een galopje, en wissel de gangen wat meer af.

Een jong paard heeft doorgaans wat meer tijd nodig om een goede kalme stap te verkrijgen. Neem hiervoor de tijd. Het is daarna makkelijker om zijn energie in goede, rustige banen te leiden.

Koester het paard tussen uw hulpen!

houd bij een jong paard of een paard met weinig balans het hoofd niet te hoog. Rijd het paard voorwaarts neerwaarts, zodat het zich gaat ontspannen. Naarmate de balans zich ontwikkelt zal het paard steeds beter naar de hand van de ruiter kunnen komen en zijn hoofd hals in een rustig tendens voor zich kunnen dragen.

Ontspanning en balans gaan niet zonder elkaar.

Wat een paard in stap nog niet kan, zal hij ook niet kunnen in draf of galop. Het is hetzelfde lijf, met dezelfde spieren en dezelfde botten en gewrichten. Wel kan het zo zijn dat door de andere takt van b.v. de draf (twee-takt) een paard een oefening makkelijker schijnt te kunnen uitvoeren. Dit komt doordat de coördinatie in de benenparen in die gang makkelijker is voor het paard of doordat door het hogere tempo het paard makkelijker "uit de voeten" kan. Dit wil niet zeggen dat de kwaliteit van de oefening dan ook goed is.

Tenslotte:

1. Goede oefeningen zijn altijd:

  • openen en sluiten van de volte
  • door een S van hand veranderen op de volte of naar de andere volte.

2. rechte lijnen altijd in schoudervoor/schouderbinnenwaarts rijden.
3. te weinig impuls/energie (voorwaarts) kan leiden tot een traversmatige 
    gang. Houdt je paard dus voldoende voorwaarts wat niet betekent snel,
    maar in het grondtempo dat bij het paard past.
4. Werk altijd aan en in rust en regelmaat.

Veel plezier met oefenen!

Wilt u reageren op dit artikel?

Tonen bij bericht?
Na het versturen, wordt uw reactie gecontroleerd door onze redactie voordat het geplaatst wordt.