De sleutel naar de deur van verandering, zit aan de binnenkant.

De pirouette

Vanuit de historie, toen mens en paard tezamen ten strijde trokken, was het heel belangrijk dat het paard soepel, gehoorzaam en wendbaar was. Door middel van de pirouette kon men het paard laten wenden op de plaats, zodat de tegenstander nooit van achteren aan kon vallen.

WAT IS EEN PIROUETTE?
Een pirouette is de kleinste vorm van een volte in travers.

  • De achterbenen beschrijven een heel klein cirkeltje, terwijl de schouders een grotere cirkel maken.
  • Het paard wendt om de achterhand.
  • Het paard is daarbij in de lengte gebogen van oor tot staart in de richting van de beweging.

Door een volte in travers steeds verder te verkleinen ontstaat eerst een werkpirouette en dan een keertwending om de achterhand. Doordat de achterbenen zich zo over een steeds kleiner wordend oppervlak bewegen, moeten deze zich steeds verder buigen, zodat het paard zich leert verzamelen en oprichten. En als het paard sterk genoeg geworden is, zal hij in staat zijn een volledige pirouette te maken.
De pirouette kan in stap, draf en uiteindelijk in galop gereden worden. En zelfs in piaf en terre à terre.

De galoppirouette kan in 2, 3, 4 en 8 galopsprongen gereden worden.

We maken onderscheid in een kwart, halve en hele pirouette

1/4e pirouette 1/2e pirouette hele pirouette

In galop betekent dit dat de stuwkracht van het achterbeen verminderd wordt en de beweging van het achterbeen naar achteren toe wordt verkort.

DE HULPEN
Het paard moet nu zover zijn opgeleid dat hij reageert op de voorwaarts drijvende, de zijwaarts leidende buitenhulpen en de binnenhulpen die begrenzen.
De juiste combinatie van deze hulpen in de juiste dosering begeleiden het paard in de galoppirouette.

  • de buitenteugel (blauw) begeleidt de schouders in de wending. Belangrijk hierbij is dat de buitenteugel niet terugwerkt en de buiging daardoor verminderd.
  • het buitenbeen van de ruiter (blauw) vraagt het buitenachterbeen onder het zwaartepunt
  • het zwaartepunt van de ruiter (welke zich onder in de buik bevindt) wordt naar achteren richting het binnenachterbeen gebracht (zwarte pijl).
  • Hierdoor wordt het binnenachterbeen meer belast en daardoor de voorhand ontlast.
  • een combinatie van binnenzitbeenknobbel, binnenbeen en binnenteugel zorgt ervoor dat de lengtebuiging behouden blijft.

Let op!

  • Als het paard zich omgooit, de buiging verliest en op de binnenschouder komt en dus te snel wil, moet het binnenbeen van de ruiter dit begeleiden.
  • Als het paard de schouders te snel naar binnen brengt, moet de binnenteugel dat opvangen.
  • Als de schouders te traag gaan moet de buitenteugel duidelijker inwerken en de schouders mee naar binnen nemen.
  • Als de hurken٭ zich vermeerderd moeten buigen, moet het buitenbeen van de ruiter het buitenachterbeen beter onder de massa vragen.

 
*Met de "hurken" wordt bedoeld de gewrichten van de achterhand te weet het heupgewricht, kniegewricht en spronggewricht. De buigingshoek wordt bij toenemende verzameling kleiner, waardoor heupbeen, bovenbeen en pijpbeen dichter bij elkaar komen te liggen

 

Uiteindelijk moeten alle hulpen verfijnd worden, zodat het paard leert wenden op het draaien van het bovenlichaam van de ruiter (verplaatsing van het zwaartepunt) en tussen de hulpen blijft.

 

De mogelijkheden
De Academische Rijkunst biedt de mogelijkheid om een paard systematisch te trainen. Het paard geeft hierdoor zelf aan wanneer hij toe is aan een volgende stap. Uiteraard kent ieder paard zijn eigen lichamelijke en geestelijke grenzen, die we moeten respecteren om spanning en blessures te voorkomen.
Het paard dient ten allen tijde de bereidheid te tonen met ons mee te willen werken en ons tegemoet te kunnen en willen komen.

Onderstaand treft u enige mogelijkheden aan voor het aanleren van de pirouette. Eerst in stap, dan in draf en uiteindelijk in een verzamelde galop.

  1. de volte in travers verkleinen
  2. een kwart pirouette (1/4e pirouette)
  3. keertwending om de voorhand (1/4e pirouette)
  4. ½ pirouette
  5. hele pirouette
  6. galoppirouette

a. VOLTE TRAVERSMATIG VERKLEINEN (WERKPIROUETTE)

Wanneer het paard de volte in travers kan lopen, kan men de volte gaan verkleinen. Zo ontstaat een werkpirouette die de basis legt voor de pirouette. Hoe sterker het paard wordt in zijn achterhand, hoe kleiner de volte kan worden die hij kan lopen. Forceer nooit een te kleine volte als het paard er nog niet aan toe is
Als het paard verzameld kan galopperen kan deze oefening ook in galop gereden worden. Begin met een paar passen en vergroot de cirkel weer.
Beloon uw paard!
Blijf vooral niet herhalen wanneer uw paard de oefening goed uitvoert, maar beeindig de training. Dit is de grootste beloning voor uw paard en heeft de grootste meerwaarde voor de oefening
Een andere mogelijkheid is te appuyeren vanaf de hoefslag naar de AC-lijn, op de AC-lijn een kleine volte in travers te rijden (werkpirouette) en weer terug te appuyeren naar de hoefslag.

b. EEN KWART PIROUETTE
Door een vierkante volte in travers te rijden (een carré) en in de hoeken de schouders om de voorhand te leiden (traversmatig de wending door rijden), ontstaat een (1/4e) wending om de achterhand. De vier hoeken tezamen vormen een hele pirouette.

 

 

c. KEERTWENDING
Wanneer men op de hoefslag schouderbinnenwaarts rijdt en  halverwege de schouders met de buitenteugel stap voor stap naar binnen leidt, totdat men is omgedraaid (180°), ontstaat een stappirouette of keertwending. Aansluitend kan men renverseren.
Belangrijk hierbij is dat de ruiter bepaalt in hoeveel passen het paard de wending maakt en de lengtebuiging, het tempo en de takt bewaard blijven.

De keertwending om de voorhand ontstaat wanneer men in renvers over de hoefslag rijdt en in de wending de achterhand om de voorhand leidt met het buitenbeen. De binnenteugel voorkomt het op de binnenschouder vallen en houdt de voorhand op zijn plaats, en onderhoudt tezamen met het binnenbeen en de binnenzitbeenknobbel de lengtebuiging.

d. HALVE PIROUETTE
Zodra het paard kan appuyeren in beide richtingen en al redelijk sterk is geworden in zijn achterhand, kan men aansluitend op het appuyement een 1/2e pirouette rijden en weer terug appuyeren naar de hoefslag.

e. HELE PIROUETTE
Een hele pirouette van 360° kan gereden worden zodra het paard de kwart en halve pirouette zonder problemen uit kan voeren, zowel geestelijk als lichamelijk. Men kan deze rijden in 2, 3, 4 of 8 sprongen.

Terug naar boven

Heeft u vragen of interesse?

Heeft u vragen, opmerkingen of interesse? Vult u dan onderstaand formulier in en u ontvangt zo spoedig mogelijk bericht.

Naam:
Email: