Als je niet weet waar je heen wilt, maakt het ook niet uit welke weg je kiest.

D. RUITERMAK MAKEN

Wanneer het paard sterk genoeg is geworden door bovenstaande oefeningen en hij zich hierbij goed kan ontspannen, dan kunnen we het paard gaan laten wennen aan het dragen van een ruiter.
Heel belangrijk hierbij is dat het paard het tempo aangeeft van de te nemen stappen. Raakt het paard erg gespannen van een oefening dan is het verstandig om te stoppen en hem rust te geven, zodat hij niet in verzet zal komen, door te bokken, te steigeren of te vluchten.

Het paard is inmiddels al gewend aan het barebackpad en zadel.
In een tijdsbestek van 2 tot 4 weken, worden de volgende stappen in alle rust uitgevoerd, waarbij altijd iemand het paard ontspannen vasthoudt en evt. kan belonen.

Met barebackpad:

  • De ruiter plaatst zich naast het paard en legt zijn handen op de pad.
  • Springt dan op en neer met het gewicht op zijn handen., net zolang tot het paard rustig blijft staan terwijl men springt.
  • De ruiter gaat via het opstapkrukje hangen over de rug van het paard en klopt zachtjes met zijn handen op het paard.
  • Vervolgens laat men de armen en benen heen en weer bungelen en zwaaien;
  • de ruiter hangt over het paard en de begeleider leidt het paard linksom en evt. ook al rechtsom (afhankelijk van de spanning die het paard hierbij opbouwt).
  • de ruiter slaat nu 1 been voorzichtig over het paard, maar blijft laag met het bovenlichaam, zwaait wat met zijn armen,
  • waarna hij langzaam overeind komt

Met het zadel erop

  • de ruiter gaat hangen en daarna behoedzaam zitten op het paard, vervolgens begeleidt de begeleider het paard links- en rechtsom;
    de ruiter zit en klopt het paard op de hals en achterhand;
  • de ruiter zit op een stilstaand paard en doet voorzichtig wat gymnastiek oefeningen met armen en benen, zodat het paard went aan de
    bewegingen op zijn rug.
  • de ruiter doet gymnastiekoefeningen terwijl de begeleider het paard rond laat stappen
  • idem maar dan longerend en stap en draf
  • de ruiter krijgt de teugel in handen en neemt langzaam de hulpgeving over;
  • de ruiter vergroot de volte met binnenbeen en binnenteugel en verkleint de volte met buitenbeen en buitenteugel.
  • de ruiter kan het paard binnen de volte van hand laten veranderen;
  • de longe gaat eraf en de begeleider blijft nog naast het paard meelopen
  • de begeleider neemt langzaam steeds meer afstand van paard en ruiter.

Terug naar "Het toekomstig gebruikspaard"

Heeft u vragen of interesse?

Heeft u vragen, opmerkingen of interesse? Vult u dan onderstaand formulier in en u ontvangt zo spoedig mogelijk bericht.

Naam:
Email:

NOKR